Spinnennamen
Boris en Tender
“We hebben een nieuwe huisgenoot” zei Marina.
“De spin in de hoek van de badkamer?” vroeg ik.
Die bedoelde ze. Het is een mooie, zei ik. Heel elegant, dunne, lange pootjes, een dotje wit op z’n lichaam. Hij hangt vlak boven mijn scheermesje, dat recht omhoog op een overdreven luxe-uitziend pedaaltje staat. We mochten hem allebei meteen graag.
De naamgeving is altijd iets om naar uit te kijken. Veel klassiekers hebben de revue al gepasseerd: Sebastiaan, Samuel, Charlotte. Zij zijn allemaal inmiddels al weer weg of overleden.
“Boris” zei ik instinctief.
Het bleef stil.
“Nee” corrigeerde ik mezelf meteen, “Dit is geen Boris.” Ik was even vergeten hoe deze spin eruitzag. Duidelijk geen Boris - ik kan niet precies uitleggen waarom, maar ik weet zeker dat je het met me eens zou zijn als je hem kon zien.
Blijkbaar is Boris een naam die bij meer mensen meteen op komt. Elke keer dat ik een spin in mijn huis vind, noem ik hem Boris, schrijft iemand op Reddit. Boris is gewoon zo’n spinnennaam. Hoe zit dit? Wat maakt Boris nu precies zo’n spinnennaam? Ik ken maar één Boris van vroeger, en dat was een dikke zwart-witte kater wiens ogen permanent ontstoken waren, waardoor hij er nogal woest uitzag. Misschien had hij door de aandoening ook wat minder aandacht over om zichzelf schoon te houden. Hij banjerde rond als een bokser wiens hoogtijdagen achter hem lagen.
“Tender” zei Marina.
Dat klopte. Dus nu hangen we met Tender tijdens het tandenpoetsen. Zijn draad is zo goed als onzichtbaar, waardoor het lijkt alsof iemand de tijd heeft stilgezet net voordat hij te pletter slaat op het scheermes van Damocles.
Later leerde ik nog een Boris kennen. Dit was een mens. We deden tegelijkertijd de opleiding tot filosofiedocent in het middelbaar onderwijs. Toen we elkaar eens ontmoetten op een van de dagen waarop alle docenten filosofie uit het hele land bij elkaar komen, mocht ik hem meteen. Ik weet nog dat ik me afvroeg hoe hij in godsnaam deed wat hij allemaal deed: niet alleen liep hij net als ik stage op een middelbare school (iets waar ik, ook al waren het maar een paar klassen, zo ongeveer de hele week voor nodig had om mezelf op voor te bereiden - en om van bij te komen) maar daarnaast ging hij ook een vak op de universiteit geven, en ook schreef hij zo nu en dan een artikel. Volgens mij was hij ook bezig met een proefschrift.
Een keer waren we op de filosofie-olympiade die eens per jaar voor leerlingen uit de hogere klassen wordt georganiseerd. Dat is een van de leukste dingen die ik als docent heb meegemaakt, hoewel het ook altijd een vreemde bijsmaak gaf. Leerlingen mogen op dat evenement proeven aan de prestigieuze wereld van de academische wereld door een lezing bij te wonen - in het Engels - waarvan ze absoluut niets begrijpen. Althans, ‘mijn’ leerlingen destijds niet (we waren de enige school die ook havisten meenamen); misschien dat de leerlingen van de gymnasia meer chocola konden maken van de witharige man uit Oregon die ons meenam in de meest gehoorde kritieken op de traditie van comparatieve filosofie.
Terwijl ik een soort nazorg organiseerde voor leerlingen die keken alsof ze net naar een film van Gaspar Noé waren geweest, zochten Boris’ ogen de eetzaal af. Toen hij eenmaal de professor had gevonden, liep hij er recht op af om hem te complimenteren met zijn lezing. Sindsdien is de naam Boris voor mij synoniem geworden met ambitie, wat de spin-connotatie op een interessante manier compliceert: is de spin een ambitieus wezen? Soms, als je ze bezig ziet hun web te perfectioneren, zou je haast denken van wel. Maar één blik op Tender is genoeg om dat idee meteen te relativeren. Tender lijkt meer van het soort dat in deze tijd waarin actie en handelen worden geïdealiseerd juist op zoek is naar een alternatief, een ethiek van niets-doen, van afleren en decivilisatie. Van disambitie.
Indertijd stuurde Boris me een artikel van zijn hand dat draaide om een spin. Ik herinner me de details niet volledig, maar het draaide om de aanwezigheid van vreemdheid in het overbekende, of, concreter gezegd: over een spin in zijn slaapkamer. Het waren mooie fenomenologische reflecties op het samenwonen met de spin. De spin was daar in de hoek van wat voor hem een intieme, door en door bekende ruimte was zélf bezig een woonplek te maken, een andere ruimte, die door z’n vreemdheid voor de mens opeens een heel verrassend element introduceerde: de herinterpretatie van de slaapkamer door de spin zorgde voor ook voor een mogelijkheid voor een hernieuwde blik door de mens. Ik hoop dat ik het zo goed zeg.
Sinds we met Tender wonen, hoop ik steeds op een soortgelijke ervaring. Een herwaardering, nee, wat zeg ik, een complete herijking van onze badkamer. Een herleving via een andersoortige topologie van de plek tussen de spiegel en het toilet. Een explosie van vreemdheid in dit heiligdom van vertrouwdheid. Ik staar naar Tender alsof ik verwacht dat hij elk moment met onze wederzijdse metamorfose zal beginnen. In plaats daarvan hangt hij daar maar - nu ik erover nadenk heb ik hem überhaupt nog niet zien bewegen. Dit is wel een heel erg minimale topologie; eigenlijk niet veel meer dan een punt. Als ik Tender mag geloven, is de meest geschikte plek in onze badkamer in de linkerhoek, halverwege de muur, vlak onder de spiegel, net boven - zoals ik zelf ook al had opgemerkt - het vervaarlijk lonkende scheermesje.
Foto is (overduidelijk) niet van Tender. Die bleek ‘m gesmeerd voor het fotomoment.

